Regulier als het kan, speciaal als het moet

Aanvraag toelaatbaarheidsverklaring (TLV) speciaal (basis) onderwijs

Uit Handelingsgerichte diagnostiek voor het onderwijs (Pameijer & Beukering, 2015): Hoe sterker de basisondersteuning en de extra ondersteuning, hoe minder kwetsbare leerlingen buiten de boot vallen. Maar hoe sterk de kwaliteit van het onderwijs ook is en hoe goed de onderwijs- en ondersteuningsroute ook functioneert, er zijn altijd leerlingen die zodanig structurele, intensieve en specifieke begeleiding nodig hebben dat deze de mogelijkheden van het reguliere onderwijs te boven gaat. In zo’n situatie ontstaat het risico dat de leerling zich onder zijn mogelijkheden ontwikkelt (niet conform zijn OPP) en dat zijn welbevinden in het geding komt. Heeft een speciale onderwijssetting in dit geval meerwaarde, dan krijgt de leerling een toelaatbaarheidsverklaring van het samenwerkingsverband, oftewel een SBO – of SO – arrangement. Omdat het speciale onderwijs beter afgestemd zal zijn op de leerling, is te verwachten dat de leerling een sprong omhoog in de OPP-trap gaat maken. Oftewel dat er over een (half) jaar een ‘knik omhoog’ in de vier lijnen is waar te nemen. 

Meer informatie

Klik hier en download meer informatie over onze:
Checklist

1. Voorafgaand aan TLV

Het is noodzakelijk dat de aanvraag voor een TLV onderbouwd is met inzichtelijke argumenten.

  • Een belangrijk criterium is of de basisschool aantoonbaar heeft gedaan wat minimaal volgens de richtlijnen van het samenwerkingsverband wordt verwacht. Heeft de school de extra ondersteuning geboden, zoals omschreven in de basisondersteuning van het SWV (zie www.swvunita.nl). De school moet bijvoorbeeld kunnen voorzien in een onderwijs- en ondersteuningsaanbod voor leerlingen met dyslexie, dyscalculie of een beneden- of bovengemiddeld intelligentieniveau. De school moet ook werken met een programma gericht op preventie en aanpak van gedragsproblemen.
  • Daarnaast is aangetoond dat de geboden extra ondersteuning, zoals beschikbaar vanuit het samenwerkingsverband (ambulante begeleiding, Taalgroep, Rekengroep, Ambulatorium Lezen en dergelijke) doelmatig is ingezet en onvoldoende effect heeft gehad. Minimaal is in een multidisciplinair overleg (MDO) overlegd over de waarde en kans van slagen van het eventuele inzetten daarvan. Dit alles wordt helder beschreven in een groeidocument.
  • De omschrijving van het benodigde onderwijs- en eventueel jeugdhulparrangement dat de leerling nodig heeft, wordt gerelateerd aan het schoolondersteuningsprofiel van de huidige school en aan de schoolsoort (Speciaal Basisonderwijs of Speciaal Onderwijs cluster 3 of 4) waarvoor de TLV wordt aangevraagd. Welke meerwaarde heeft het S(B)O voor deze leerling?
  • Er is een ontwikkelingsperspectief (OPP) opgesteld waarin korte- en lange termijn doelen zijn vastgelegd en de leerontwikkeling wordt gemonitord en geëvalueerd. (Hierbij kan de OPP-trap van het SWV worden gebruikt: zie de bijlagen OPP in het Groeidocument en opptrap.nl).
  • Diagnostisch onderzoek kan ondersteunend zijn ten aanzien van het bepalen van het ontwikkelingsperspectief (doelen voor leren, werkhouding en gedrag) en de onderwijs/opvoedbehoeften van de leerling (wat heeft de leerling nodig om de doelen uit zijn ontwikkelingsperspectief te halen?).
  • De leerling is minimaal één keer in een MDO besproken in aanwezigheid van de trajectbegeleider van SWV Unita. Daarbij hebben de intern begeleider (IB), leerkracht, ouders en trajectbegeleider meegedacht over de argumenten voor én tegen de aanvraag van een TLV. Deze zijn genoteerd in het groeidocument.
  • In het MDO zijn betrokkenen op grond van alle gegevens, zoals kind-kenmerken (waarbij ook de schoolbeleving en de ideeën van het kind zelf zijn betrokken), de leer- en gedragsontwikkeling tot nu toe, de kennis en ervaring van de leerkracht, Intern Begeleider (IB-er) en ouders, observatie- en onderzoeksgegevens, meningen, verwachtingen en voorkeuren van ouders, de (on)mogelijkheden van de school en eventueel externen tot de conclusie gekomen dat de school niet tegemoet kan komen aan de onderwijsbehoeften van de leerling.
  • Er wordt nagegaan welke onderwijssetting het beste aan de onderwijsbehoeften van de leerling tegemoet kan komen. Hierin worden de (on)mogelijkheden van de verschillende opties meegenomen, zoals: handhaven op de huidige reguliere basisschool, overstappen naar een andere reguliere basisschool, verwijzen naar het speciaal basisonderwijs (SBO) of Speciaal Onderwijs (SO) zoals cluster 2 (bij taal/spraakproblemen), cluster 3 (bij ernstige verstandelijke en/of lichamelijke belemmeringen) of cluster 4 (bij ernstige gedragsproblemen).
  • Voordat de TLV wordt toegekend hebben de ouders zich bij voorkeur al georiënteerd op één of meer scholen voor SBO of SO, afhankelijk van de onderwijsbehoeften van hun kind. De trajectbegeleider kan ouders hierbij ondersteunen.
  • Een toelaatbaarheidsverklaring heeft een geldigheidsduur wat betreft de plaatsing in SBO of SO. Zo’n arrangement is in principe tijdelijk: zo lang als nodig. Zodra dat mogelijk is, gaat de leerling (weer) naar een lichtere vorm van onderwijs, in de buurt of de wijk (Handelingsgerichte Diagnostiek, Pameijer en Beukering, 2015[i]).

Proces van aanvraag TLV

  • Wordt in het MDO unaniem besloten tot het aanvragen van een TLV voor het S(B)O, dan vraagt de huidige school (directie of bestuur) deze aan (zie de bijlage “Model aanvraag TLV” in het groeidocument).
  • De eerste deskundige stelt de vereiste deskundigenverklaring op (zie de bijlage “Format 1edeskundigenadvies” in het groeidocument). Deze eerste deskundige moet een orthopedagoog/psycholoog zijn, waar mogelijk de trajectbegeleider van het MDO. Indien de trajectbegeleider een andere discipline heeft (bijvoorbeeld ambulant begeleider), overlegt deze inzake de deskundigenverklaring met een orthopedagoog/psycholoog van het SWV.
  • In de aanvraag voor de TLV is aangegeven voor welke duur plaatsing op het S(B)O noodzakelijk wordt geacht. Deze periode kan variëren van kortdurend, een jaar ofwel de gehele basisschool periode. Waarbij langdurige plaatsing een uitzondering is en elk jaar geëvalueerd wordt of de beoogde doelen gerealiseerd worden en de mate van onderwijs- en opvoedingsbehoeften nog steeds het arrangement SO/SBO vergen. De richtlijn is dat elke plaatsing tijdelijk is en de intentie bestaat het arrangement onnodig te maken op termijn.
  • Indien voor het Speciaal Onderwijs een andere dan de vastgestelde bekostigingscategorie gewenst is, dient dit onderbouwd in de aanvraag voor een TLV te zijn opgenomen.
  • Het groeidocument met bijlagen en de vereiste documenten wordt naar het Loket gestuurd, zodat de tweede deskundige kan worden ingeschakeld.
  • Het Loket vraagt een deskundigenverklaring bij de tweede deskundige van het SWV. Deze deskundige analyseert het dossier en geeft een 2edeskundigenadvies indien hij/zij het eens is met de aanvraag voor een TLV voor S(B)O.
  • De directeur van SWV Unita geeft op grond van het advies van de beide deskundigen (de twee deskundigenverklaringen) een TLV af. Deze wordt aan de aanvrager verstrekt en in kopie naar de ouders/verzorgers en de trajectbegeleider verzonden. De TLV wordt tevens als bijlage opgenomen in het groeidocument.
  • Indien er geen unanimiteit bestaat tussen ouders, school en trajectbegeleider over de aanvraag van een TLV, dan kan nog geen deskundigenadvies afgegeven worden. In dit geval wordt het dossier inhoudelijk geanalyseerd en besproken door de twee door het SWV aangestelde deskundigen alvorens wordt overgegaan tot het wel of niet afgeven van de TLV.

Het verwijzen naar Speciaal (Basis) Onderwijs is gebaseerd op kenmerken van de leerling én de context waarin hij/zij functioneert en daarmee samenhangende specifieke/extra onderwijsbehoeften die nodig zijn om de gestelde doelen voor de leerling te realiseren. Vaak is er sprake van een combinatie van factoren van kind en onderwijs.

De onderwijsbehoeften kunnen te maken hebben met instructie, benodigde leertijd, aanpassingen in opdrachten, (leer)activiteiten en leeromgeving, benodigde feedback, eigenschappen van groepsgenoten en de leerkracht. De opvoedbehoeften hangen samen met kenmerken van ouders/verzorgers, de opvoeding en specifieke ondersteuning van jeugdhulp.

Problemen met werkhouding, gedrag, sociaal-emotionele ontwikkeling, cognitie, (senso-)motoriek en gezondheid spelen een rol bij het vinden van de meest passende schoolsoort.

Zoals bij het proces (paragraaf 1) aangegeven, moet duidelijk zijn dat de school heeft voldaan aan de in SWV Unita afgesproken basisondersteuning en dat de extra ondersteuning van het SWV doelmatig is ingezet en onvoldoende effect heeft gehad.

Voor kinderen die nog niet hebben deelgenomen aan het onderwijs, kan in een MDO vanwege de kenmerken van een kind en zijn/haar context en de daarmee samenhangende onderwijs- en opvoedingsbehoeften geconcludeerd worden dat een reguliere basisschool hoogstwaarschijnlijk niet tegemoet kan komen aan de onderwijsbehoeften. Bij voorkeur zijn deskundigen uit de voorschoolse periode die het kind kennen (zoals uit het KDV, de PSZ of de JGZ) betrokken bij dit MDO.

In het MDO bespreken betrokkenen welke onderwijssetting het best aan de onderwijsdoelen en -behoeften van het kind tegemoet kan komen. Hierbij worden de voordelen én nadelen van de verschillende opties besproken en genoteerd. Wat zijn de argumenten voor én tegen handhaven op de huidige reguliere basisschool, overstappen naar een andere reguliere basisschool en verwijzen naar het SBO of SO?

Zie voor meer informatie de brochure “Toelaatbaar tot een school voor Speciaal (Basis) Onderwijs in Unita” op de website (www.swvunita.nl).

2. Richtlijnen voor S(B)O arrangementen

2.1 Inleiding

Onderstaande beschrijvingen zijn bedoeld als richtlijn voor scholen en trajectbegeleiders om wel- overwogen en in het belang van alle betrokkenen tot een gepast arrangement S(B)O te komen. Zo’n arrangement betreft ongeveer 3% van alle leerlingen in de regio met de ernstigste onderwijsbelemmeringen en de intensiefste onderwijs-zorgbehoeften. Het is expliciet niet de bedoeling eenzijdig naar de problemen van de leerling te kijken, maar juist de betreffende leerling in zijn/haar onderwijs- en opvoedingscontext te zien. Het draait om het vaststellen van SMARTI onderwijsdoelen met bijbehorende onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerling en ondersteuningsbehoeften van het team (niet alleen de huidige leerkracht, maar ook diens collega’s, de IB-er en directeur) en de ouders. De mate van handelingsbekwaamheid of het ontbreken daarvan bij school en ouders spelen een belangrijke rol.

De mate van ernst en daarmee samenhangend de mate waarin een leerling beperkt wordt in zijn functioneren, bepalen de zwaarte van het arrangement. Maar het gaat om meer. Van groot belang is dat de leerling zelf actief betrokken is bij de analyse van de situatie en het formuleren van de doelen en onderwijsbehoeften: hoe denkt hij/zij over het arrangement?

Deze notitie beschrijft richtlijnen waarmee trajectbegeleiders, scholen, ouders, leerlingen en externe deskundigen gezamenlijk een transparante keuze kunnen maken uit de volgende arrangementen:

  • Regulier onderwijs + een onderwijs- en/of jeugdhulparrangement (OJA)
  • Speciaal Basis Onderwijs (SBO)
  • Speciaal Onderwijs (SO)

De algemene richtlijnen betreffen alle typen arrangementen. Daarnaast zijn per type arrangement een aantal specifieke aandachtspunten toegevoegd. In alle gevallen staat het belang van de leerling centraal, evenals het streven van SWV Unita: Passend onderwijs voor alle leerlingen.

2.2 Algemene richtlijnen voor S(B)O arrangementen

A. De mate van ernst van de situatieis bepalend voor de zwaarte en duur van het arrangement. Hoe ernstiger, des te intensiever het arrangement SBO, SO of SO+. Maar hoe is de mate van ernst zo objectief mogelijk vast te stellen? Dit is met onderstaande punten (ontleend aan de criteria van Rutter) in te schatten en in een samenvattend beeld beknopt te beschrijven.

  1. Is het gedrag gezien de leeftijd van het kind als ‘normaal’ te beschouwen?
  2. Hoe lang duren de problemen, sinds wanneer zijn ze er?
  3. Zijn de problemen te begrijpen gezien de omstandigheden of levensfase?
  4. Past het gedrag in de (sub)cultuur waartoe het kind behoort?
  5. Hoe vaak komen de problemen voor (frequentie)?
  6. Hoe intens is het probleem (intensiteit)?
  7. Om welk type problemen gaat het en in welke mate komt dit type voor in de populatie?
  8. Hoeveel verschillende soorten problemen zijn er? Versterken die elkaar?
  9. Komt het gedrag in meer situaties voor of is het situatie-gebonden?
  10. Zijn er omgevingsfactoren die de ontwikkeling van de leerling belemmeren?
  11. Wat zijn de gevolgen van het gedrag?; belemmert het de ontwikkeling op andere gebieden?
  12. Beïnvloeden de gedragingen de veiligheid of kwaliteit van leven van de leerling of van anderen?

B. Het OPP wordt betrokken in de besluitvorming: wat zijn de lange termijn doelen die we nastreven (uitstroomperspectief en -profiel?) en welke korte termijn doelen voor leren, werkhouding, sociaal-emotioneel en gedrag streven we na? Op basis van deze doelenworden de onderwijs- en/of opvoedingsbehoeftenvastgesteld, wat heeft deze leerling in onderwijs (op school) en opvoeding (thuis) nodig om deze doelen te behalen? Het is belangrijk de onderwijs- en opvoedingsbehoeften te relateren aan de doelen voor een bepaalde periode, want in een later stadium wil men evalueren of het geboden arrangement ertoe heeft bijgedragen dat de doelen zijn behaald. M.a.w.: was het arrangement effectief? Vervolgens wordt nagegaan wat ouders en school nodig hebben om in de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerling te kunnen voorzien in de zogenaamde ondersteuningsbehoeftenvan het team en de ouders.

De zwaarte en duur van het arrangement zal niet alleen afhangen van de onderwijs- en opvoedingsbehoeften van de leerling, maar ook van de ondersteuningsbehoeften van diens opvoeders (leerkrachten, andere onderwijsprofessionals en ouders).

C. Wat is kenmerkend voor de intensiteit en specialiteit van deaanpakdie de leerling en zijn/haar context nodig heeft om de gestelde doelen te bereiken?

D. Is er sprake van een integraal onderwijs- en jeugdhulparrangement (OJA), omdat de behoeften zowel het onderwijs- als de opvoeding betreffen?

E. Is een alternatief (lichter) arrangementoverwogen of al adequaat ingezet en geëvalueerd? Als men aan SBO denkt, is dan bijvoorbeeld ook gedacht aan extra ondersteuning in de huidige school of in een andere reguliere school? En denkt men aan SO, is dan ook gedacht aan een lichter arrangement, namelijk SBO? Is een inschatting gemaakt van de meerwaarde van het SBO t.o.v. het reguliere onderwijs en van SO t.o.v. SBO? Het OPP kan hierbij van pas komen: schat men de kans dat de leerling zich conform zijn OPP zal ontwikkelen hoger in SBO (dan in regulier onderwijs) of in SO (hoger dan in SBO)? Het gaat hier dus om de afgrenzing SBO-regulier onderwijs en SO-SBO.

F. De argumenten voor én tegen de verschillende arrangementen (handhaven regulier met een O(J)A, SBO of SO). Deze indicaties en contra-indicaties zijn uitgebreid met de betrokkenen (ouders, school, leerling, begeleiders en experts) overwogen.

G. Er is tevens nagedacht over deduurvan het arrangement. In het geval van S(B)O is er de vraag of en zo ja wanneer de leerling teruggeplaatst kan worden naar een lichter arrangement. Dus bijvoorbeeld van S(B)O naar regulier onderwijs of van SO naar SBO.

H. De trajectbegeleiders en andere deskundigen handelen vanuit een basishouding, die zich kenmerkt als een critical friend. Waarin de belangen van leerling/ouders en schoolgoed uiteengezet worden, maar de leerling centraal staat.

3. Aandachtspunten voor specifieke S(B)O arrangementen

Aanvullend op bovenstaande richtlijnen, volgen hier enkele richtlijnen voor de SBO en SO arrangementen. Per leerling kunnen deze worden afgewogen, met als doel na te gaan in welke onderwijssetting de kans het hoogste is dat voorzien kan worden in de onderwijsbehoeften en dat de leerling zich conform het OPP zal ontwikkelen.

Hierbij zijn cluster 1 (visueel beperkt) & cluster 2 (spraak/taal en doof) buitenbeschouwing gelaten, omdat deze clusters andere criteria kunnen hanteren. Binnen de regio van Unita conformeren zij zich in grote lijnen aan de wijze van arrangeren zoals in het SWV wordt beoogd, namelijk handelingsgericht arrangeren.

3.1 Arrangement Speciaal Basis Onderwijs

Een TLV voor SBO is gebaseerd op een combinatie van vastgestelde kindkenmerken en daarmee samenhangende specifieke doelen en extra onderwijsbehoeften van de leerling. Deze onderwijsbehoeften overstijgen de basisondersteuning én de extra ondersteuning die het samenwerkingsverband kan bieden. In het groeidocument is beargumenteerd waarom regulier onderwijs niet passend is voor deze leerling (afgrenzing SBO t.o.v. regulier onderwijs). Onderwijsbehoeften die samenhangen met (ernstige) cognitieve en/of lichamelijke (sensomotorische of met de gezondheid samenhangende) belemmeringen zijn doorslaggevend in de afgrenzing met SO. De redenen hiervoor zijn in het groeidocument genoteerd: waarom kiest men voor SO i.p.v. SBO (afgrenzing SO t.o.v. SBO)?

De onderwijsbehoeften in relatie tot de gestelde doelen betreffende gedrag en werkhouding zijn aangevuld met vakspecifieke doelen en onderwijsbehoeften (voor taal en rekenen). In het OPP van de leerling zijn deze doelen en onderwijsbehoeften opgenomen: welk doel wordt nagestreefd en wat is extranodig om dit doel te bereiken? Voor instructie, opdrachten, (leer)activiteiten e.d. kunnen verdiepte arrangementen in de school voor Speciaal Basis Onderwijs worden geboden. Voor jonge kinderen (kleuters) is vaak sprake van aanvullingen op het  basisarrangement. Zie hiervoor de School Ondersteuningsprofielen van de scholen voor Speciaal Basis Onderwijs.

Scholen voor Speciaal Basisonderwijs in SWV Unita:

  • Annie M.G. Schmidt te Hilversum
  • Hummeling te HIlversum
  • Indon te Bussum
  • Het Mozaiek te Hilversum
  • De Wijngaard te Huizen

3.2 Arrangementen Speciaal Onderwijs

Een TLV Speciaal Onderwijs is gebaseerd op een combinatie van vastgestelde kind-kenmerken en daaruit voortvloeiende onderwijsbehoeften van de leerling in relatie tot de gestelde doelen voor de betreffende leerling. De leerling heeft dit intensieve arrangement nodig om zijn doelen in het ontwikkelingsperspectief  te kunnen behalen.

Accenten voor Speciaal onderwijs cluster 3

Voor cluster 3 moet  er sprake zijn van ernstige cognitieve en/of lichamelijke belemmeringen. De grote leer- en ontwikkelingsachterstanden, het ontbreken van algemene leervoorwaarden en de zeer geringe sociale redzaamheid vergen een voortdurende/continue begeleiding van de leerling door de leerkracht en andere professionals. Nieuwe vaardigheden moeten worden aangeleerd vanuit concrete ervaring en moeten aansluiten bij de belevingswereld van de leerling. De leerling heeft altijd voor- en verlengde instructie nodig in zeer kleine stappen volgens een vast stappenplan en met continue sturing en zeer veel en voortdurende en blijvende herhaling.

Bijkomende onderwijsbehoeften liggen op het vlak van sociaal functioneren en hangen samen met een ontwikkelingsstoornis. Daarbij kan de intensiteit van de noodzakelijke begeleiding de gemiddelde groepsgrootte in SO overschrijden of een onderwijs-zorgarrangement noodzakelijk maken.

Lichamelijke belemmeringen zijn gebaseerd op een gediagnosticeerd ziektebeeld of fysieke beperking. De leerling is afhankelijk van gespecialiseerde (medische) zorg, continu of meerdere keren per dag (ook onder schooltijd). Een aangepaste leeromgeving is noodzakelijk wat betreft ruimte, bed, verschoningsruimte, hygiëne, veiligheid en/of medicijngebruik. Zonder noodzakelijke (technische) aanpassingen is het volgen van onderwijs voor deze leerling niet mogelijk. Voor ontwikkeling is behoefte aan therapie (bijvoorbeeld fysio- of ergotherapie of logopedie) in een grote frequentie en intensiteit. De leerling is onvoldoende zelfredzaam en is afhankelijk van de hulp van volwassenen in de onderwijsleeromgeving.

Zie de School Ondersteuningsprofielen van de scholen voor SO cluster 3 ZML en Mytyl.

In SO cluster 3 zijn scholen voor Zeer Moeilijk Lerende kinderen (ZML, ernstige cognitieve beperkingen) te vinden en een school voor Mytyl (ernstige lichamelijke beperkingen).

Scholen voor Speciaal Onderwijs cluster 3 in SWV Unita:

  • Klimopschool te Hilversum (ZML)
  • Mozarthof te Hilversum (ZML)
  • De Trappenberg te Huizen (Mytyl)

Accenten voor Speciaal onderwijs cluster 4

Leerlingen die een arrangement SO4 nodig hebben, hebben meestal ernstige gedrags- en/of emotionele problematiek. Deze problematiek is zodanig dat het de leerling ernstig beperkt in zijn/haar functioneren (zie richtlijnen voor alle arrangementen, paragraaf 2). De leerling veroorzaakt een situatie (vaak door angst gestuurd) waarin de veiligheid voor hem/haar zelf, de medeleerlingen en/of medewerkers van de school in gevaar komt. Het leerproces wordt door dit gedrag negatief beïnvloed voor zowel de leerling als voor de medeleerlingen. De leerling heeft dus structureel intensieve en specialistische ondersteuning en expertise nodig op het gebied van gedrags- en emotieregulering, gedragsverandering en het preventief inrichten en begeleiden van de sociale omgeving. Een integraal OJA is meestal nodig, om leerbaarheid bij de leerling (en zijn opvoeders) opgang te brengen.

Zie de School Ondersteuningsprofielen van de scholen voor SO cluster 4: Donnerschool.

School voor Speciaal Onderwijs cluster 4 in SWV Unita:

  • H. Donnerschool te Hilversum

4. Bekostigingscategorie Speciaal Onderwijs

Alle scholen voor Basisonderwijs en Speciaal (Basis) Onderwijs ontvangen van de overheid een gelijk bedrag aan basisbekostiging. De ondersteuningsbekostiging wordt eveneens door de overheid uitgekeerd, maar wordt in mindering gebracht van de bekostiging voor het SWV.

De overheid kent 3 categorieën voor de ondersteuningsbekostiging:

1 (laag): Bekostiging voor leerlingen in cluster 4, cluster 3 ZML (Zeer Moeilijk Lerend) en cluster 3 LZ (Langdurig Ziek)

2 (midden): Bekostiging voor leerlingen LG (Lichamelijk Gehandicapt)

3 (hoog): Bekostiging voor leerlingen MG (Meervoudig Gehandicapt) en voor leerlingen EMB (Ernstig Meervoudig Beperkt)

Het Samenwerkingsverband Passend Onderwijs kan afwijkend besluiten over de noodzakelijke bekostigingscategorie. Voor leerlingen met een zeer intensieve ondersteuningsbehoefte kan bekostigingscategorie 3 (hoog) van toepassing zijn. De Commissie van Begeleiding van de school voor Speciaal Onderwijs dient hiervoor een onderbouwd verzoek in bij het samenwerkingsverband.

Checklist

Onderstaande checklist is een hulpmiddel bij het toetsen van de aanvraag van een TLV

SBO en het afgrenzen daarvan van regulier onderwijs en SO. In de praktijk is er bijna altijd sprake van een complexe samenhang van factoren zoals leermoeilijkheden, werkhoudings- en sociaal-emotionele problematiek, welke de basisondersteuning van het regulier onderwijs sterk overstijgt.

De handelingsverlegenheid van de huidige school kan zichtbaar worden met behulp van deze checklist door een reële discrepantie tussen wat de huidige school kan bieden, met hulp van het samenwerkingsverband, en wat de leerling nodig heeft. Tevens biedt deze lijst inzicht in de onderwijsbehoeften van de leerling, welke zijn te gebruiken bij het passend maken van het onderwijs aan deze leerling.

Checklist