Samenvatting

De zorg voor hoogbegaafde leerlingen valt onder de basisondersteuning. Soms is er echter meer aan de hand en spreken we van Dubbel Bijzonder: leerlingen met aantoonbare kenmerken van (Hoog)Begaafdheid (HB) in combinatie met waarneembare aanvullende problematiek (leer- en/of gedragsproblemen), al dan niet gediagnosticeerd. Voor reguliere scholen kan de ondersteuning van deze leerlingen de basisondersteuning ruim overstijgen. Ze profiteren niet of niet voldoende van de HB-aanpak op de reguliere school.

Leerlingen met aantoonbare kenmerken van (hoog) begaafdheid in combinatie met waarneembare aanvullende problematiek (leer- en/of gedragsproblemen), al dan niet gediagnosticeerd, noemen we Dubbel Bijzonder. In ongeveer 10% van de casussen van het Loket is hoge intelligentie of hoogbegaafdheid een vermoeden of bijkomend aspect.

De groep hoogbegaafde leerlingen valt in grote lijnen uiteen in:

  • Hoogbegaafde leerlingen Basisondersteuning zonder onderwijsleer- of gedragsproblemen
  • Hoogbegaafde leerlingen Plusklas, voltijd HB (IQ ≥ 130 en kenmerken HB)
  • Hoogbegaafde leerlingen met additionele Unita-ondersteuning voorliggende problematiek die het leren / gedrag belemmeren (Dubbel Bijzondere leerlingen)

Wanneer een school denkt dat er sprake is van een leerling met kenmerken HB Dubbel Bijzonder en de school handelingsverlegen is, kan de school een beroep doen op het arrangement HB Dubbel Bijzonder van Unita. Bij akkoord kent Unita een bedrag van maximaal € 2000,- toe aan het schoolbestuur. Hiermee kan de school zelf extra (externe) begeleiding inzetten met als doel dat de leerling in het reguliere onderwijs kan blijven. Ook reguliere scholen in ons samenwerkingsverband met een HB-afdeling kunnen een HB Dubbel Bijzonder arrangement aanvragen.

  • Na akkoord van het Loket maakt Unita het vaste bedrag van € 2000,- over aan het schoolbestuur
  • Het Arrangement geldt voor maximaal 1 schooljaar
  • Financiële verantwoording achteraf is niet nodig (tenzij het een vervolgaanvraag betreft)
  • Het Arrangement is leerlinggebonden. Indien het Arrangement gedurende het lopende jaar stopt of de leerling naar een andere school gaat, verrekenen de schoolbesturen / scholen de financiële bijdrage onderling

Aanvraag

De aanvraag wordt gedaan via het Groeidocument. Een MDO volgt alleen indien nodig. In het Groeidocument wordt beschreven:

  • Hoogbegaafdheid is aantoonbaar en onderbouwd
  • Dubbel Bijzonder is aantoonbaar en onderbouwd
  • De hulpvraag overstijgt de basisondersteuning en de school is handelingsverlegen
  • Wat heeft school al ingezet en wat zijn de effecten daarvan?
  • Relevante bijlagen (indien aanwezig): LVS, IQ-test, diagnose/behandelplannen en het OPP (niet ouder dan een half jaar, het handelingsdeel ondertekent door ouders)

Deze informatie kun je met name kwijt in onderdeel 1B of in de MDO-verslagen als deze er zijn. Bij onderdeel 1D kruis je de optie ‘Arrangement HB Dubbel Bijzonder’ aan en wordt gevraagd om kort aan te geven wat je wilt bereiken en hoe je dit wilt aanpakken.

Hoogbegaafdheid en Unita

Inhoud

  1. Samenvatting
  2. HGW: omschrijving en werkwijze
  3. Dubbel bijzondere leerlingen
  4. Verdeling begaafdheid totale bevolking

Bijlage: Visualisering van de samenstelling van een groep (Pameijer, 2017)

 

Notitie opgesteld n.a.v. bijeenkomst HB en Unita, 30 november 2017 (en aangepast na bespreking in diverse bestuursvergaderingen)

Johan Vroegindeweij (directeur Unita) in samenwerking met Desiree Houkema (SLO), Saskia Huizer-Lambalk (IB’er), Noëlle Pameijer (school/kinderpsycholoog Unita) en Caroline van Veen (Hoofd Onderwijs en Kwaliteit bij STIP).

1. Samenvatting

Hoogbegaafdheid en de zorg voor hoogbegaafde leerlingen vallen onder de basisondersteuning. De specifieke middelen van het Ministerie voor deze groep, vallen ook voor 100% in de middelen voor de basisondersteuning. Hoogbegaafde leerlingen en hoog intelligente leerlingen, waar handelingsverlegenheid speelt, kunnen aangemeld worden bij het loket, via een groeidocument voor een MDO. Ook leerlingen met IQ van boven de 145 en additionele problematiek kunnen bij het loket worden aangemeld, indien de school handelingsverlegen is.Het gaat dan immers om meervoudige problematiek. Meestal betreft het ‘dubbel bijzondere leerlingen’ met leer-, opvoedings- en/of gedragsproblemen, die vaak voorliggend zijn en maken dat een leerling zich niet goed kan ontwikkelen.

De groep hoogbegaafde kinderen valt uiteen in:

  • Hoogbegaafde leerlingen Basisondersteuning
    zonder onderwijsleer- of gedragsproblemen
  • Hoogbegaafde leerlingen Plusklas, voltijd HB
    (IQ van 130 of hoger en kenmerken HB)
  • Hoogbegaafde leerlingen met additionele Unita-ondersteuning
    voorliggende problematiek die het leren/gedrag
    belemmeren (dubbel bijzondere leerlingen)

Toenemende behoefte aan ondersteuning

Passend onderwijs voor hoogbegaafde en -intelligente leerlingen staat zowel landelijk als lokaal nog in de kinderschoenen. Landelijk zijn er nog geen goede voorbeeldregio’s te vinden volgens SLO. Unita kan op basis van de verantwoording over de middelen voor basisondersteuning over de eerste drie jaar Passend Onderwijs concluderen, dat de schoolbesturen collectief wel degelijk stappen maken voor deze doelgroep. Dit in tegenstelling tot de periode vóór 2014, toen lag de focus meer op de ‘cognitief zwakke leerlingen’, (rugzak)middelen en individuele casussen. Plusklassen zijn inmiddels meer regel dan uitzondering. Er zijn de afgelopen drie jaar binnen Unita HB onderzoeken gedaan op individueel -, school- en bestuurlijk niveau, er zijn HB materialen aangeschaft en er zijn veel opleidingen gevolgd door leerkrachten en intern begeleiders (IB’ers). Daarnaast is de Werf (Talent Primair), een speciale reguliere HB school in Huizen, opgegaan in de OBB als HB afdeling met ongeveer 80 leerlingen. In het schooljaar 2017-2018 is er een HB afdeling (PRISMA-groep) gestart in Kortenhoef op de Regenboogschool (Proceon). Hier zijn 22 leerlingen gestart en er zijn plannen voor uitbreiding. Beide initiatieven zijn buiten verantwoordelijkheid van het samenwerkingsverband tot stand gekomen en gefinancierd. Beide initiatieven staan open voor HB leerlingen uit de gehele regio.

Unita werkt samen met SLO en lokale HB professionals (intern en extern). Hierdoor is geleidelijk aan veel kennis opgebouwd. Ongeveer 10% van de casussen uit het loket heeft betrekking op casussen waar hoge intelligentie of hoogbegaafdheid een vermoeden of bijkomend aspect is. Uit de expertise pool hebben twee psychologen de ECHA opleiding gevolgd, zodat we steeds meer zelf de expertise kunnen leveren aan onze scholen.

Zaken die nog separaat aandacht verdienen voor de scholen zijn het anders aanbieden van de lesmethodes bij deze leerlingen, zoals het topdown aanbieden van de lesstof in plaats van bottum up en het werken met hoge orde denkvaardigheden zoals analystisch, creatief en kritisch denken (Sternberg, 2000). Daarnaast verdient het signaleren van hoogbegaafde leerlingen ook de aandacht, met name wanneer deze leerlingen geen hoge leerresultaten laten zien.

De aanpak bij handelingsverlegenheid is bij hoogbegaafde leerlingen procesmatig niet anders dan bij andere groepen leerlingen. We werken bij Unita volgens de zeven uitgangspunten van handelingsgericht werken (HGW), die zijn ook toe te passen bij leerlingen met kenmerken van HB, hun leerkrachten en ouders

2. HGW: omschrijving en werkwijze

Voor de ondersteuning van leerlingen met begaafdheidskenmerken en leer- en gedragsproblemen, biedt Handelingsgericht Werken (HGW, Pameijer, 2017) passende ondersteuning aan leerling, leerkracht, IB-er en ouders. HGW focust op schoolsucces en een constructieve samenwerking tussen scholen, leerlingen, ouders en jeugdhulp.Alle professionals in en rondom de school handelen volgens zeven uitgangspunten:

  1. HGW is doelgericht.
  2. Het gaat om wisselwerking en afstemming.
  3. Onderwijs- en opvoedbehoeften van kinderen staan centraal.
  4. Leerkrachten maken het verschil, ouders doen er evenzeer toe.
  5. Positieve aspecten van leerlingen, leerkrachten en ouders zijn van groot belang.
  6. Betrokkenen werken constructief samen.
  7. De werkwijze is systematisch en transparant.

De HGW-cyclus bestaat uit 4 fasen:

Fase

Toelichting

1. Waarnemen

Wat heeft de leerling op dit moment nodig om bepaalde doelen voor leren, werkhouding en gedrag te behalen?
Het analyseren van de situatie, formuleren van doelen, bepalen wat nodig is om de situatie te verbeteren/de doelen te behalen: wat zijn de onderwijsbehoeften van deze leerling

3. Plannen

Wat ga je doen en hoe?
Het opstellen van een ondersteuningsplan dat aansluit bij de behoeften en beschikbare mogelijkheden van school, leerling en ouders

4. Realiseren

Hoe ga je het gewenste aanbod realiseren?
Het uitvoeren van het plan gedurende minimaal 30 schooldagen om verandering te
kunnen bewerkstelligen en te bepalen wat werkt (evaluatie  waarnemen, stap 1)

1. Waarnemen

Wat zie je bij de leerling?
Het (opnieuw) observeren en in kaart brengen van de situatie rondom de leerling (bevorderende en belemmerende factoren leerling, onderwijs en opvoeding)

HGW is een cyclische werkwijze: Na fase 4 (de uitvoering van het plan) start automatisch fase 1 opnieuw.

In de MDO-werkwijze is HGW uitgewerkt in de volgende stappen:

  1. Wat is de reden van aanmelding bij het loket en wie heeft welke vraag?
  2. Overzicht: wat gaat al goed met leerling, onderwijs en opvoeding en wat is nog moeilijk?
  3. Inzicht (analyse): hoe zou het kunnen komen dat de situatie nu zo is?
  4. Uitzicht: wat zijn de doelen voor leerling, onderwijs en opvoeding en wat hebben leerling, leerkrachten en ouders nodig om deze doelen te behalen? Wat zijn m.a.w. hun onderwijs/opvoed- en ondersteuningsbehoeften?
  5. Afspraken: wie doet wat, waarom, wanneer en hoe? Wanneer evalueren of de doelen behaald zijn?
  6. Evaluatie MDO: zijn een ieders vragen beantwoord? Was het een constructief overleg?

Thema’s die relevant zijn in het onderwijs en de ondersteuning aan dubbel bijzondere leerlingen zijn o.a.:

  • Versnellen, compacten, verrijken (verdiepen/verbreden): wat past het beste bij deze leerling? Wat is haalbaar voor deze school en ouders?
  • Hoe kan deze leerling zich optimaal cognitief ontwikkelen, gemotiveerd blijven (ook als het even tegenzit), uitgedaagd worden op verschillende gebieden (zoals creatief, sportief, muzikaal), leren leren, plannen en organiseren, de lat voor zichzelf hoog maar niet te hoog leggen, sociaal-emotioneel groeien en sociaal aansluiting (blijven) vinden bij andere kinderen? Tessa Kieboom (2007)benadrukt dat bij deze kinderen niet alleen de cognitieve ontwikkeling aandacht vraagt maar ook de persoonsontwikkeling (“het Zijn” van deze kinderen). Zij benoemt het cognitief luik Denken en het zijnsluik Voelen. Bovengenoemde thema’s vallen zowel in het cognitief luik als in het zijnsluik.

Figuur 1: Cognitief – zijnsluik Tessa Kieboom (2007)

  • Hoe zorgen we ervoor dat deze leerling qua uitstroom op het type VO komt dat het beste bij hem/haar past? Wat is daarvoor nodig?

3. Dubbel bijzondere leerlingen

Leerlingen met kenmerken van (hoog)begaafdheid in combinatie met leer- en/of gedragsproblemen zijn dubbel bijzonder. Meestal worden ze echter niet als zodanig (h)erkend. Hieronder geven we een aantal kenmerken van hoogbegaafd en hoog-intelligent. Het is niet de bedoeling leerlingen op deze manier te categoriseren; de werkelijkheid op kindniveau is altijd uniek en genuanceerd. Uitgangspunt is dat talenten en persoonlijke kwaliteiten een belangrijk aanknopingspunt bieden, evenals het belang van extra ondersteuning op sociaal en emotioneel gebied en de behoefte aan ‘like minded peers’. Deze klasgenoten zijn vast te stellen door de groep te analyseren: welke krachten en talenten hebben de leerlingen? Waar zitten de overeenkomsten in deze groep wat betreft een bovengemiddelde intelligentie en kenmerken van HB? In de bijlage is dit gevisualiseerd.

Omschrijving en kenmerken van hoogbegaafdheid

Volgens het model van Renzulli (1978) wordt hoogbegaafdheid omschreven als een combinatie van een ruim bovengemiddelde intelligentie, sterke creativiteit en hoge motivatie en ambitie. De verdeling van intelligentie wordt weergegeven in de Gauss-curve (zie figuur 2), waarbij ongeveer 2,5% van de bevolking als zeer intelligentwordt gezien. Echter lijkt de bovenste 5-10% van de leerlingen behoeften te hebben aan verrijkend onderwijsaanbod,

Verdeling begaafdheid totale bevolking

Figuur 2. Gauss-curve

Mönks (1985) plaatst bij het drie ringen model van Renzulli de driehoek van de omgeving (gezin, school en peers) waarin talent zich ontwikkelt (zie figuur 3).

Hierbij gaat het met name om de wisselwerking met gezin, school en vrienden (peers/ontwikkelingsgelijken). Pas bij een goed samenspel van de persoonskenmerken en sociale omgevingen kan (hoog)begaafdheid zich ontwikkelen. Dit kan alleen tot stand komen als ook de sociale competentie voldoende eigen gemaakt kan worden.Hoogbegaafden zijn op het cognitieve vlak (zeer) sterk, maar ook op andere gebieden vallen ze op door hun sterke vermogens, talenten of vaardigheden. Ongeveer 2 % van de leerlingen kan – op grond van de normaalverdeling van intelligentiescore – hoog-intelligent worden genoemd.

Figuur 3: Mönks & Renzulli

Mönks noemt naast de hoge intelligentie van deze kinderen als andere kenmerken:

  • Grote nieuwsgierigheid en leergierigheid.
  • Veel energie.
  • Zich met meerdere taken tegelijk bezig kunnen houden.
  • Buitengewoon goed geheugen.
  • Breed scala aan interesses.
  • Bijzonder gevoel voor humor.
  • Hoge mate van empathie en betrokkenheid.
  • Denken in veel gevallen al op buitengewoon jonge leeftijd (bijvoorbeeld drie jaar oud) na over de zin van het leven.
  • Het veel lezen en verzamelen van informatie.
  • Veel feitenkennis, grote algemene ontwikkeling.
  • Opvallend taalgebruik.

Het aandeel van hoogbegaafden (zeer intelligent) is ca. 2% van het totaal. Voor het primair onderwijs in Gooi en Vecht (ca. 23.000 leerlingen) zijn dat ongeveer 460 leerlingen. Binnen de groep met hoogbegaafde kinderen zal een deel van de kinderen gebaat zijn bij speciaal, voltijds HB-onderwijs. Andere kinderen zullen vanwege achterstanden of extra aandachtspunten, zoals dyslexie, kenmerken van autisme of leer/gedragsproblemen (ook) extra ondersteuning nodig hebben (zie arrangement HB+). Ook zullen er diverse HB kinderen zijn die prima functioneren binnen het regulier onderwijs. Het Ministerie van OCW stelt dat de hoogbegaafde kinderen veel aandacht verdienen in onze kenniseconomie, vanwege hun grote potentieel voor de toekomst. Nagenoeg alle scholen van Unita geven aan in hun verantwoording extra aandacht aan hoogbegaafden te geven.

De meeste hoogbegaafde kinderen hebben ‘passend’ onderwijs nodig, net als de kinderen aan de andere kant van de Gauss-curve (de kinderen met een IQ van minder dan 70). Het verschil in IQ en belevingswereld tussen een IQ van 100 (gemiddeld) en 70 (zeer moeilijk lerend) is even groot als het verschil in IQ en belevingswereld tussen kinderen met een IQ van 130 (hoogbegaafd) en 100 (gemiddeld).

Voor dubbel bijzondere leerlingen heeft Unita naar aanleiding van deze notitie een nieuw arrangement ontwikkeld (HB+).

Bijlage: een visualisering van de samenstelling van een groep

Bron: hoofdstuk 6 (HGW-cyclus in de praktijk) uit het nieuwe HGW boek ‘Samenwerken aan Schoolsucces’ (Pameijer, 2017).

Iedere groep is in de delen, bijvoorbeeld in een normaalverdeling (figuur 1). Deze indeling is simpel weer te geven in een Mickey Mouse. Hiermee krijg je voor een bepaald thema of vak zicht op de groep:

  • Het hoofd: basisgroep met de ‘gemiddelde’ leerlingen, ook wel ‘middenmoot’ genoemd
  • Linker oor: subgroep leerlingen die intensivering nodig hebben
  • Rechter oor: subgroep leerlingen die verdieping, verbreiding of versnelling nodig hebben

In linker- en rechteroor, 1 of 2 oorbellen: individuele leerlingen met aangepaste doelen

Figuur 1. Zicht op de groep met een Mickey Mouse

De blauwe pijlen staan voor het streven naar ambitieuze doelen voor de leerlingen die in de overlappingen zitten. De subgroep intensivering beoog je in de basisgroep te krijgen. Voor de subgroep verdieping en de ‘oorbellen rechts’ beoog je te verrijken, te verbreden en/of te versnellen. De ‘oorbellen links’ probeer je in de subgroep intensivering te krijgen.

Je kunt de visualisering ook als kladblaadje gebruiken bij het samenstellen van heterogene groepjes, de rode pijlen in de figuur:

  • meng de oren door elkaar: koppel de sterkere leerlingen aan de zwakkere
  • koppel de rechter oorbel (‘sterkste’ leerling) aan de linker oorbel (‘zwakste’ leerling). Zo creëer je ‘drie keer winst’: voor de leerling die de ondersteuning biedt, voor de leerling die de ondersteuning krijgt én voor de leerkracht.

Je kunt de namen en aandachtspunten per groep noteren in een Mickey Mouse. Stem je de grootte van het hoofd en de oren af op de hoeveelheid leerlingen (weinig leerlingen kleine cirkel; veel leerlingen grote cirkel), dan krijg je zicht op de samenstelling van de groep. Stel, bijvoorbeeld, dat het linkeroor veel groter is dan het hoofd

Analyse: wat zegt dit over deze groep en over de kwaliteit van het geboden onderwijs?

Planning: is het zinvol om van de grootste groep de basisgroep te maken, omdat de meeste leerlingen dit aanbod nodig hebben?

Met name de zwakkere leerlingen profiteren van een heterogene groep. Zij leren veel van de cognitief sterkere leerlingen, de leerlingen met een positieve werkhouding en de sociaalvaardige leerlingen.

Voor begaafde en talentvolle leerlingen ligt het anders. Zij profiteren zowel cognitief als gedragsmatig wél van homogene groepen waarin ze van en met andere begaafde leerlingen leren en elkaar motiveren en inspireren.

Werk je vanwege de haalbaarheid met homogene niveaugroepen, doe dit dan zo kort mogelijk.

Minimaliseer de nadelige gevolgen van langdurig homogeen groeperen op cognitief of didactisch niveau: de zwakke leerlingen worden steeds zwakker en de sterke steeds sterker. Zitten de zwakkere leerlingen langdurig in een subgroep intensivering of ‘weergroep’, dan tast dit vaak hun competentiegevoel en motivatie aan. Hoe je zo’n groepje ook noemt of welke kleur je het ook geeft, leerlingen weten meestal precies welke groep ‘lager’ of ‘hoger’ is en wie in welke groep zit. Ga dus vooral flexibel om met de zwakkere leerlingen: wie van hen kunnen na een korte periode van extra ondersteuning in een homogene groep weer profiteren van de meer uitdagende leeromgeving in de heterogene groep? Dit klinkt mooi, maar is lastig te realiseren, ook omdat veel methodes met het oog op differentiëren een driedeling hanteren. Bijvoorbeeld een instructie-gevoelige, instructie-afhankelijke en instructieonafhankelijke groep. Enerzijds maakt dit het omgaan met verschillen werkbaar, anderzijds verhoogt dit het risico op langdurige homogene niveaugroepen. Wees dus kritisch op de indeling in de methode: past dit bij wat jouw groep nodig heeft of wijk je ervan af? Hoe pas je het dan aan, zodat je met heterogene groepen kunt werken? Je past de methode dan niet toe, maar aan.